Tag

Een hiv-test: zo werkt het

Aids-testen of hiv-testen worden uitgevoerd om de antistoffen op te sporen die het lichaam beschermen tegen het hiv-virus. De aanwezigheid van die antilichaampjes wijst op een infectie met het virus.

Hiv

Veel mensen die met het hiv -virus besmet zijn weten dit helemaal niet. De typische symptomen van aids ontwikkelen zich doorgaans pas verschillende jaren na de infectie. Het virus vernietigt de immuuncellen die gekend zijn als CD4-cellen of T-helpercellen. Wanneer het aantal CD4-cellen minder wordt dan 200 cellen per mm³ (het normale aantal is 500 cellen per mm³) heeft een patiënt aids.

Door hun verzwakte immuunsysteem zijn patiënten met aids niet bestand tegen infecties die een gezond immuunsysteem normaal kan tegenhouden. Die infecties zijn gekend als opportunistische infecties.

Hoe vroeger iemand ervan op de hoogte is dat hij hiv-positief is, hoe vroeger hij in behandeling kan gaan, waardoor het risico op de ontwikkeling van aids of opportunistische infecties kleiner wordt. Iemand die weet dat hij hiv -positief is, zal hier in contacten met niet-besmette personen meer rekening mee houden.

Aids-testen

De standaardmethode om te screenen op hiv-infectie zijn serologische tests die de aanwezigheid van antilichaampjes voor HIV-1 en HIV-2 (de twee belangrijkste types HIV) in het bloed. Maar tussen de besmetting met HIV en de ontwikkeling van een hoeveelheid antilichaampjes die groot genoeg is om opgespoord te worden (seroconversie), gaat altijd een periode voorbij. In de meeste gevallen vindt de seroconversie binnen de zes maanden plaats.

Dit wil dus zeggen dat iemand die seropositief is de eerste maanden na de besmetting nog negatief kan testen omdat zijn lichaam nog niet veel antilichaampjes opgebouwd heeft. Personen die negatief testen moeten daar dus rekening mee houden. Mensen die denken dat ze een groot risico gelopen hebben op besmetting kunnen daarom beter geen risico nemen en zich na drie tot zes maanden opnieuw laten testen. Na zes maanden test 95% van alle besmette personen positief.

Eerst voert men op het bloedstaal een ELISA-test uit. Deze test gaat na of er  in het lichaam antistoffen aanwezig zijn. Als deze test geen antistoffen kan opsporen, betekent dat dat de persoon seronegatief is, oftewel dat hij niet met HIV besmet is. Als de ELISA-test wel antistoffen vindt, volgt er nog een tweede laboratoriumtest om te bevestigen dat het specifiek om hiv gaat in het bloed.

 Wanneer?

Je kunt best een hiv-test laten uitvoeren wanneer je risicovol seksueel contact hebt gehad, via een naald in contact bent gekomen met het bloed van anderen of in contact geweest bent met besmet bloed.

Tags , , , ,